Een angstige zwangerschap, eerst zien dan geloven

De dag nadert dat we voor het eerst (weer) naar de verloskundige mogen. Wanneer het zover is, stappen we beiden gespannen in de auto. We hopen dat we onderweg niemand tegen komen, want we willen het nog even stil houden. Als we aan komen rijden bij de verloskundigenpraktijk komt alles weer terug. Het gebouwtje waar we kwamen toen we zwanger waren van jou. Alles nog hetzelfde, zo herkenbaar allemaal. Ik kan het gevoel dat ik toen ik hier voor de eerste keer kwam, met jou, nog zo goed terug halen. We lopen naar binnen en nemen plaats aan de grote wachttafel in de centrale ruimte die alle praktijkkamers met elkaar verbindt. We moeten even wachten, een stel met een klein kindje wacht ook in de wachtkamer. Niet aan denken, zeg ik stilletjes tegen mezelf. Niet aan denken dat we ook een klein kindje, van nu bijna 8 maanden, bij ons hadden kunnen hebben. We worden naar binnen geroepen. De verloskundige, die ons ook heeft geholpen toen we zwanger waren van jou, staat ons te woord. Ze toont haar medeleven en feliciteert ons met het heugelijke nieuws. Ik wil (nog) niet blij zijn, bescherm mezelf door het niet te geloven. Eerst zien, dan geloven zeg ik. Ik neem plaats op de behandeltafel en de verloskundige begint met het maken van de echo. Ze vet mijn buik in en begint met het echoapparaat te zoeken. Maar het laat zich moeilijk zien en ze besluit dat een inwendige echo misschien beter is. Ik vind het prima, heb wel voor hetere vuren gestaan. Op de inwendige echo is het goed te zien. Daar, een heel klein vlekje, een klein koffieboontje, dat is jouw broertje of zusje Jasmijn. Het hartje klopt, de verloskundige draait aan de volumeknop en daar is het… pok, pok, pok, pok… op gelijkmatig tempo klopt het hartje van jou kleine broertje of zusje. Ik word emotioneel, zou het dan toch?

We bespreken verder de details met de verloskundige. Onze angst en de wens om prenataal onderzoek naar ACD te laten doen in het ziekenhuis van Nijmegen. Ook vertellen we over het genetisch onderzoek dat nog lopend is en waar we nog geen uitslagen van terug hebben. De verloskundige belooft ons contact op te nemen met het UMCN om voor ons een afspraak te maken voor prenataal onderzoek. Hopende dat dit de angst een beetje weg kan halen. Want oh, wat ben ik bang dat ook jouw broertje of zusje ACD heeft. Dat we misschien weer afscheid moeten nemen. Het is nergens op gestoeld en we weten inmiddels dat de kans op herhaling klein is, maar die kans is er wel. En totdat ik uitslagen heb, zal ik geen rust vinden. Dat weet ik nu al. Ook al is een prenataal onderzoek risicovol. Een zwangerschap waarin ik 9 maanden in onzekerheid leef met de wetenschap dat ik misschien (nog) een kindje op de wereld zet dat geen kans van leven heeft, is ondenkbaar. Dat voelt niet goed. Dat voelt egoïstisch. Ik wil dat niet nog een kindje aandoen.

Wanneer we naar huis gaan, besluiten we dat we het gaan vertellen aan onze naasten. Onze ouders, jouw opa’s en oma’s, en zo geschiede. Iedereen is blij, blij voor deze tweede kans. Ook snappen ze onze onzekerheid en de drang om zekerheid te verkrijgen. Ze steunen ons hierin. Dat is ook nodig want de komende weken en maanden zijn stressvol. Ik kan maar niet genieten. Buikfoto’s maak ik nauwelijks. Kleertjes durf ik niet te kopen. Ik voel me beroerd en geestelijk zwak. De onzekerheid gaat met mij aan de haal en de hormonen die door mijn lijf gieren, helpen daar niet echt bij. Hoe graag ik ook wil genieten van deze zwangerschap, het lukt me niet. Nog niet….