De weg terug, weer aan het werk

Nog steeds zit ik thuis. Niet wetende wat ik met mijn tijd aan moet. Buiten is het mooi weer en ik had nu samen met jou lange wandelingen moeten maken in het bos, over de heide, met jou in de kinderwagen. Samen erop uit! Maar jij bent er niet meer bij… Ik kan er dus niet van genieten, het mooie weer. Ik denk er daarom aan om weer aan het werk te gaan. Thuis word ik niet gelukkiger en ik moet ook door. Misschien dat als ik weer wat omhanden heb, de tijd wat sneller zal gaan. Het gemis misschien wat zal verzachten. De pijn zal er altijd blijven maar misschien word ik er dan niet meer iedere seconde, minuut, uur, dag aan herinnerd.

Ik kaart mijn plannen om weer aan het werk te gaan aan op mijn werk en ze willen daarover graag in gesprek met mij. We maken een afspraak om samen met mijn leidinggevende en de personeelsmanager om de tafel te gaan en de mogelijkheden te bespreken. Zo geschiede. Op mijn werk is het begrip groot en dat is fijn. Ze geven aan dat ze bang zijn dat ik misschien te snel wil gaan en later zal terugvallen. Hiervoor willen ze mij behoeden. Ze vragen zich af of ik het wel aankan allemaal en of het verstandig is om weer aan het werk te gaan. Ik leg uit waarom ik het zo graag wil en dat ze me moeten vertrouwen dat ik doe wat het beste voor mij voelt. Thuis doet alles mij herinneren aan ‘hoe het had moeten zijn’. Als ik weer aan het werk ga en in mijn ‘normale’ ritme kom, heb ik weer iets om voor op te staan, zeg ik. Een doel in mijn leven, waarvan ik hoop dat het mij wat afleiding zal geven. Afleiding van het verdriet. Ja, ik moet het verwerken en daar wil ik de tijd voor nemen, geef ik aan. Maar thuis zitten is voor mij geen oplossing. De muren komen op mij af en ik kan aan niks anders denken. Ik moet door en dat kan alleen door het ‘gewone leven’ weer op te pakken. Langzaamaan verder te gaan. De weg terug te vinden.

Mijn leidinggevende en personeelsmanager gaan uiteindelijk overstag en samen maken we een plannetje waarin wordt vastgelegd dat ik met opbouwende uren steeds wat meer ga werken richting het einde van mijn verlof. Om dan, na mijn verlof en indien ik dat aankan, weer volledig aan het werk te kunnen. Ik mag mijn eigen tijd en tempo bepalen. En er zal geen druk op mij worden gelegd. Dat is fijn, het medeleven dat men toont is bijzonder en had ik eigenlijk niet verwacht. Ik denk dat het mij gaat helpen, om weer aan het werk te gaan. Ik heb altijd voldoening uit mijn werk gehaald, ik ben gemotiveerd en heb er bijna zin in. Het voelt als een kans om weer vooruit te kijken. Naar de toekomst, misschien komt het dan toch nog goed….

Als de dag aanbreekt wanneer ik weer voor het eerst weer ga beginnen, betrap ik mijzelf erop dat ik het toch moeilijk vind. Het voelt alsof ik de tijd met jou nu achter mij laat. Verder gaan is goed, dat realiseer ik mij, maar iets in mij is ook een beetje bang dat ik jou nu zal vergeten. Natuurlijk gebeurt dat niet, maar de angst zit er wel. Toch moet ik door van mijzelf. Ik moet weer sterk worden, zo sterk als dat mijn kleine knokkertje ook was en zo sterk als dat ik was voordat ik mijn mooie dochter verloor. Vol goede moed stap ik dus op de fiets richting mijn werk. Ik begin wat later dan andere collega’s, dit geeft mij de kans om rustig binnen te komen. Ik loop de voordeur door van het pand waar ik werk en loop stap voor stap de trap op richting mijn kantoor op de eerste verdieping. Daar ben ik dan. Eerst even een kopje koffie, even rustig bijpraten. Ik merk dat de sfeer lichtelijk gespannen is. Collega’s weten niet goed hoe ze mij moeten aanspreken en wat ze moeten zeggen. Soms resulteert dit in krampachtige ontmoetingen en er zijn zelfs collega’s die mij ontwijken. Ik vind het niet erg, begrijp het wel. Het is ook niet niks allemaal, besef ik mij. Ik neem plaats achter mijn tijdelijke bureau. Ik zit nog niet op mijn ‘oude’ werkplek want mijn vervanger werkt tot het einde van mijn verlof. Ik zit dus nu tijdelijk op een andere plek, achter een andere computer, een klein beetje voor spek en bonen. Maar het is niet erg. Ik ben allang blij dat ik de kans heb gekregen om weer op mijn werk te mogen komen. Even uit huis, even niet continu denken, denken, denken. Op te moeten staan ergens voor en niet dagen lang, uren achter elkaar in bed liggen, niet wetende wat je met je tijd aan moet. Ik krijg geen zware klussen voor mijn kiezen. Mijn leidinggevende is daar erg voorzichtig in en bedeelt mij enkel kleine, overzichtelijke klusjes toe. Ik merk dat ik me maar moeilijk kan concentreren en maak dus ook dankbaar gebruik van het feit dat ik het echt rustig aan mag doen. Ik neem de tijd voor alles. Wanneer er een paar uur om zijn deze eerste dag, sluit ik met een voldaan gevoel de computer af. Het zit erop. Mijn eerste werkdag en mijn eerste stap terug. Langzaamaan krabbel ik weer op. Het voelt goed, ik blijf sterk. Voor jou lieve meid! Voor jou…