Jouw thuiskomst

Het is dinsdagmorgen… Vandaag kom je thuis. Een meneer van het uitvaartcentrum heeft al een koelinstallatie met koelplaat gebracht en niet veel later arriveer jij ook. Door twee mannen in pak wordt je naar boven gedragen. Naar je kamertje. De mannen vragen ons even om een een momentje. Ze hebben even nodig om je ‘recht’ te leggen, zeggen ze. Je kunt namelijk wat verschoven zijn door de reis vanuit Nijmegen. Als ze klaar zijn mogen we naar jou toe. Daar lig je dan, eindelijk thuis, eindelijk op je kamertje. Wat een mooi jurkje heb je aan. Het staat je zo mooi. Bij het jurkje hoort een hoofdbandje met strikje. Dit hebben ze jou in het mortuarium niet aangedaan omdat het niet goed past. Oma gaat het strikje nog op je roze mutsje naaien belooft ze mij. Zo is je pakje toch compleet. Ik ben blij dat je er bent, het geeft me rust.

Papa en mama kopen die dag een mooie armband voor jou met lieveheersbeestjes. Daar doen we de rozenkwarts steen aan welke we gekocht hebben in Nijmegen. Ook leggen we jou beertje bij je. Deze had je steeds bij je, al vanaf dag 1. We willen dat je dit meeneemt naar waar je ook naar toe zult gaan hierna.

De komende dagen komen om de beurt opa’s en oma’s op bezoek om even bij je te kijken. Zelfs Draakje (onze boxer, die jou speelkameraadje had moeten worden) komt even een kijkje nemen. Ik vind het fijn dat je thuis bent. Nu kan ik op elk moment even naar je toe. En dat doe ik ook. Dan houd ik je handje vast en aai ik je mooie snoetje. Ik huil zachtjes maar wil sterk blijven. Dat ben jij immers ook altijd geweest.

Einde van de week zal je naar het uitvaartcentrum gaan, vlak voor de begrafenis. Als het bijna zover is, voel ik een gevoel van angst opkomen. Ik wil schreeuwen, ik wil huilen. Ik wil niet dat je gaat. Ik weet dat het moet, maar ik wil niet. Het voelt als definitief. Alsof het nog niet tot mij is doorgedrongen dat je hierna nooit meer thuis zult komen. Als het moment daar is, rijdt er een zwarte begrafenis auto onze straat in. Ze stoppen voor onze deur en twee mannen gekleed in het zwart betreden ons huis. Ik leid ze naar jouw je kamertje. Ze zetten de koelinstallatie uit en koppelen deze af. Een man schroeft je ‘bedje’dicht en de ander pakt de koelinstallatie in. Ze tillen je de trap af naar beneden en vragen ons of we willen volgen naar het mortuarium of dat we later komen. Samen met papa besluiten we na te komen. Triest en verloren blijf ik achter als ze jouw in de auto zetten en de klep van de auto sluiten. Heel zachtjes en plechtig rijdt de auto de straat uit. De man in het zwart loopt voorop. Ik begin te huilen en raak in paniek. Plots dringt het tot me door. Je komt echt nooit meer thuis. Ik wil NU naar je toe. Papa probeert me te kalmeren maar het lukt hem niet. Ik word pas rustig wanneer we in de auto zitten op weg naar het uitvaartcentrum. Eenmaal daar aangekomen worden we naar jou kamer verwezen. Een gevoel van opluchting overmand mij, gelukkig, je bent er nog. Daar lig je, omringd door allemaal mooie roze bloemen. Wat veel en wat mooi. De kamer kleurt roze. Dit is de plek waar morgen iedereen doorheen zal komen. De plek waar iedereen afscheid van je mag nemen.  Lieve Jasmijn, we zullen je nooit, nooit vergeten!